In deze bijdrage analyseer ik de conclusie van het Haagse hof dat op Shell een op mensenrechtenbescherming gebaseerde zorgvuldigheidsnorm rust om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Vervolgens ga ik in op de vraag of een reductienorm ook een minimumnorm kan zijn in plaats van een absolute norm, op de vraag of consensus in de wetenschap een noodzakelijke voorwaarde voor rechtsvinding is en op het feit dat het hof de op Shell rustende zorgvuldigheidsnorm niet vertaalt in een concrete reductieplicht en deze daarmee maakt tot een norm zonder verplichting. Ten slotte komt aan de orde of het feitelijk en juridisch …